Review: Remy van Kesteren in LantarenVenster

Geplaatst op 25 oktober, 2016

Op 23 oktober stond Remy van Kesteren, harpist en een van mijn favoriete Wie is de Mol-kandidaten van het afgelopen seizoen, op het podium van LantarenVenster in Rotterdam als onderdeel van zijn clubtour.

20161024_215735-minHoe was het voorprogramma?
Heel tof. Jeangu Macrooy speelde met gitaar een aantal nummers, onder andere van zijn EP ‘Brave Enough’. Ook speelde hij nieuw materiaal. Zijn stem deed mij een beetje denken aan John Legend. Het nummer ‘Gold’ maakte op mij het meeste indruk. Verder was het een intiem voorprogramma: weinig toeters en bellen, gewoon mooie zang.

En Remy zelf?
Die brak tijdens het eerste nummer een knalrode snaar.

Holy fuck, en toen?
Hield ‘m tijdens het nummer onder controle en plukte de snaar vervolgens van de harp af.

Had niet iemand hem even kunnen helpen dan?
Neuh, die waren net even te druk met hun eigen instrumenten. Remy’s harpspel wordt omlijst door een drummer, een saxofonist, een bassist en een pianist.

Vol podium dus?
Mwoah. Het krachtige van de hele show is dat de harp nooit ondergesneeuwd raakt. Sommige nummers zijn zo opzwepend dat alle instrumenten flink gas moeten geven, maar de handen van Remy razen zo snel over de snaren dat hij dat tempo en volume bij houdt.20161023_212151-min

Daar was zijn harp vast wel op berekend of niet?
Eh, misschien legde een tweede snaar ook het loodje.

Allemachtig, maar de rest verliep wel zonder brokken?
Ja hoor! Het nummer ‘Aerial’, volgens Remy zelf geschreven voor acht handen tegelijk, werd met behulp van een loop-apparaat opgelost. Voor ‘Tomorrow Eyes’ verscheen Jeangu uit het voorprogramma opnieuw op de planken.

Nog meer special guests?
Een delta harp.

Een wat?
Ja, dit:
20161023_214714-min

 

 

 

 

 

 

 

 

Damn. Anders nog iets?
Buiten de enorme golf van muziek is Remy ook nog eens hartstikke leuk in zijn praatjes tussendoor.

Hij had WIDM gewoon moeten winnen, hè.
Ja, maar daar hebben we het nu niet over. Bovendien is Tim Hofman ook prima.

Oké, oké. Ging er nog een derde snaar stuk?
Nee, dat niet. Maar we kregen wel een toegift, ondanks dat hij vertelde zelf niet zo dol te zijn op toegiften. Het was een titelloos nummer en riep het publiek op om een titel te verzinnen.

Wat was jouw idee?
Iets met ‘Tokio Dreams’ of zo. Het klonk vaag als een videogame qua synthesizer, maar dan met harp erbij.

En die titel heb je hem even voorgelegd na de show?
Nee, want ik was te schijterig moest mijn metro halen.

Remy’s EP ‘Tomorrow Eyes’ is beluisteren op Spotify en toekomstige tourdata zijn te vinden op zijn website

Wat ik leerde van vijf maanden Rotterdam

Geplaatst op 4 juli, 2016

Ondanks dat ik op een leeftijd ben waar het element ‘op jezelf wonen’ meestal een gepasseerd station hoort te zijn, trok ik afgelopen februari richting Rotterdam om op kamers te gaan. Alle clichématige dingen die ik als achttienjarige had moeten ontdekken (‘je leert zóveel over jezelf!’), kwamen een handvol jaren later aan de orde, maar ik ontdekte daarnaast het volgende.

1. Niemand let op
Je kan huilend door een winkelstraat lopen, een Juridisch Loket zwetend binnenrennen of veel te hard gapen en zuchten in de tram na veel te veel alcohol: men geeft geen fuck. Niemand let op je. De vrijheid is onbetaalbaar, maar constant het gevaar om aangereden te worden is een fikse kanttekening.

2. Niemand heeft écht iets te vragen
Die zwalkende meneer is een junk, dat ene meisje wil de weg niet weten en ja, ze spreken je aan met ‘broer’, maar niemand wil iets weten: ze willen iets van je. En dan niet de Sultana die je in je rugzak hebt, lieve dorpse idioot.

3. Niemand is veilig
In vijf maanden tijd heb ik zoveel ambulances, brandweerauto’s en politieagenten gezien dat ze nu alle drie tegelijk moeten uitrukken om indruk op me te maken. Ik daag je uit, 010.

4. Fuck yo’ gevoelige neus
Voor elf uur ‘s ochtends door mijn straat lopen, betekende een toer langs de diverse eettentjes, slagerijen en die ene winkel waar een Fata Morgana-lucht uit wasemde. Voor mijn maag net even teveel smaken op het palet. Zeker als je “vergeten” bent te ontbijten.

5. Boodschappen doen is de shit
Na de eerste paar weken morphte ik direct in mijn moeder en wilde ik profiteren van elke aanbieding en kortingsactie ooit. Het scoren van een dealtje (vijftig procent korting op een heel dure fles wijn!) gaf me kippenvel en harde tepels, iedere keer weer.

6. Koken is ook de shit
Omdat huisgenoot W. en ik geen zin hadden in diepvriespizza (shout-out naar diepvriespizza: je was altijd het beste plan B in mijn hart), besloten we te koken als koningen. We gebruikten recepten van Jamie Oliver’s website en creëerden het meest exquise voedsel. Ja, je staat minimaal een uur per avond in de keuken, maar zolang je Bugles hebt om die tijd te overbruggen, is het prima te doen en het is nog leuk ook.

7. De stad kent geen openingstijden
Ja, de trams stoppen op een bepaald tijdstip met rijden, maar er is om half één heus nog wel ergens een tentje open. En daar schenken ze bier of wijn, wat je maar wil. Mocht je juist thuis een feestje willen vieren, is er een nachtwinkel. De stad slaapt nooit: ze doet af en toe een powernap, meer niet.

8. Alles is afval of afwas
Je bent wat je weggooit. Of je bent wat je moet afwassen. Heel vaak de koffiekopjes, dus.

9. Je moet het zelf doen
Ja, je had natuurlijk gehoopt clichéloos deze tekst uit te kunnen lezen. Helaas! Als er één ding is dat ik heb geleerd van Rotterdam (of, negen, en daar heel vakkundig een lijstje van heb gemaakt, graag gedaan), is dat niets je aan komt waaien, dus mocht je iets willen, dan moet je je mouwen opstropen en het gaan grijpen.

Je Doet Je Best Maar (Verder)

Geplaatst op 6 maart, 2016

De afgelopen tijd kan ik op zijn minst turbulent noemen. Gek genoeg ben ik niet aan het doordraaien, maar ik kan ook niet ontkennen dat mijn hoofd een aantal dagen deze Vine als soundtrack gehad. Laat ik niet te veel in details treden, maar de chaos klopte aan, ik deed open en vervolgens kon ik dagenlang opruimen. Klinkt het alsof ik kudde olifanten met diarree in mijn kersverse woning in nultien (Rotterdam) heb toegelaten? Maybe, maybe not. 

In elk geval heb ik me de afgelopen tijd ook aardig kunnen amuseren. De reeks Wie is de Mol van 2016 is zojuist voorbij en daar ben ik maar weinig rouwig over, omdat het toch Klaas bleek te zijn. Desalniettemin schoof tussendoor de Vlaamse variant van Wie is de Mol zich onder mijn neus. En wat is dát fantastisch. Niet alleen zijn de kandidaten tien keer fanatieker dan in de Nederlandse versie, ook elke aflevering is een spectaculair gemonteerd huzarenstukje. De kandidaten zijn “onbekend”, dus er wordt hard gewerkt tijdens de opdrachten. Die opdrachten worden helder uitgelegd, maar het daadwerkelijk verdienen van geld hangt af van een ingewikkelde proef met tenminste vier onderdelen. De eliminaties zijn zonder onheilspellend muziekje, waardoor je het gevoel hebt dat het nog alle kanten op kan. Er zijn nu vijf kandidaten overgebleven, maar mocht je zelf willen weten wie dat zijn, klik dan HIER en vis uit het topic de links om de afleveringen te bekijken. Gun jezelf dat plezier, want het is Wie is de Mol on steroids op de best manier mogelijk.

Punt twee is een directe verwijzing naar de titel: het album van Aafke Romeijn, Je Doet Je Best Maar (Spotify). Mij heb je meteen met zo’n titel, maar de cd zelf is ook niet mis. Aafke maakt een steviger geluid dan Eefje de Visser, maar tekstueel heeft Je Doet Je Best Maar wat weg van Eefje’s eerste album De Koek. Mijn favoriete nummers op dit album zijn de titeltrack Je Doet Je Best MaarBlokken (‘Ik doe alles voor drank, maar drank doet niets voor mij’), het wrange XOXO over seksueel misbruik en het bijna Robyn-achtige Hulp Is Onderweg.

Tot slot kan ik qua schrijven melden dat ik nog steeds wekelijks op ABCYourself stukjes eruit gooi. Momenteel is Thijs samen met Maarten op zoek naar een nieuw huis, omdat het móet. En moeten is nooit leuk. Maar het moet wel.  
Mocht je zelf ook schrijfambities hebben, dan heb ik goed nieuws. Per 1 mei is er weer een plek vrij op ABCYourself! Wil jij je schrijftalent ontwikkelen, kijk dan op ABCYourself.nl en klik op het kopje ‘Meedoen’ om te zien hoe je je kan aanmelden.

Depressief

Geplaatst op 1 februari, 2016

Ik had tijdens de bovenbouw op de middelbare school een vriendinnetje in de klas zitten en zij kwam op een dag iets verifiëren. Ze had namelijk een gerucht gehoord, dat, nou ja… Ik meen dat het pauze was, waardoor ze mijn hand kon pakken en me naar een rustige plek kon loodsen. Onder de trap – ze had nog steeds niet mijn hand losgelaten – confronteerde ze mij met de roddel. Dat ik Jongen X. uit vier havo leuk vond. Ik werd rood, maar ontkende het meteen. Natuurlijk niet. Gezien haar katholieke achtergrond en het feit dat ik op zeventienjarige leeftijd totaal geen behoefte had aan oprechtheid was het écht, écht niet zo. In de pauze die volgde, stond ik gewoon weer op mijn vaste plek op een paar meter afstand naar mijn objet d’amour te gluren.

Het leuke aan dit vriendinnetje was haar opgewektheid en haar humor. Ze had het in haar dagelijkse leven redelijk druk, want ze was ambitieus met school en niet alle vakken gingen haar even makkelijk af en daarnaast zorgde ze regelmatig voor haar broertjes. Ze was bezig, soms met teveel hooi op haar vork. Een keer tijdens Frans zat ik naast haar. Het was rumoerig, dus we konden gerust praten. Ze pakte mijn hand beet, keek me aan en zei dat het echt allemaal teveel was. Ze werkte zichzelf zeven slagen in de rondte en ze probeerde, maar het ging niet. Vervolgens schoot ze keihard in de lach en riep ze dat ze depressief was. Elke lettergreep van dat woord werd omlijst met gelach.

‘Thijs, ik ben de-hahaha- nee, maar ik ben depressi-hahahaha-hief!’

We moesten er allebei om lachen. En gisteravond, de vierde dag nadat mijn relatie uit is, verscheen na lange tijd mijn herinnering aan haar weer in mijn hoofd. Ik denk niet dat ze echt depressief was, maar alle negatieve gevoelens die in haar zaten, lachte ze weg door eraan toe te geven. Ze opende haar armen voor alles wat er kwam, accepteerde het en ging met een lach aan de slag. Ik ga dat proberen. Ik ga dat doen.

J’adore: Wie is de Mol

Geplaatst op 13 januari, 2016

Als ik iets belangrijk vind in het leven, dan is het Wie is de Mol wel. Voor mij begon mijn Mollotenschap rond seizoen 3 (Portugal): ik lag een dag ziek op de bank en stuitte op een herhaling van de aflevering waarin de overgebleven vier kandidaten (Ellen, John, Jantien en George) (dat ik deze namen zonder research eruitpoep, dient hopelijk als genoeg bewijs dat de obsessie diep gaat) allereerst een getallenreeks moesten doorgeven via diverse vervoersmiddelen, vervolgens die code gebruiken om een koffertje te openen dat zich temidden van een stierenvechtarena (inclusief stier) bevond. En dat was pas één opdracht! Ik was meteen hooked. Daarna haakte ik pas weer aan bij seizoen 5 (Australië/Indonesië), het eerste seizoen dat bekende Nederlanders meededen. Ik volgde het op de voet, registreerde mezelf bij het forum van Wie is de Mol en bekeek online oude seizoenen terug. Mijn Molgevoel bleek aan het eind van het seizoen ook nog eens te kloppen, wat dat specifieke jaar voor mij extra bijzonder maakte. Bij seizoen 8 (Mexico) ging ik de mist in en was overtuigd van de verkeerde Mol. Ik speelde op dat moment in de musical van mijn middelbare school en kreeg tijdens de voorstelling van mijn moeder een smsje dat mijn Mol zojuist de pot had gewonnen. Maar ik ben het meest dichtbij de Mol gekomen tijdens seizoen 13 (Zuid-Afrika). Voor de opnames van dit seizoen, tijdens de zomer van 2012, mocht ik namelijk mee. Het winnen van deze trip kwam door een wekelijkse internetquiz op de site van de Avro. Elke weekwinnaar kwam op een dag bijeen voor de grote finale en die won ik. Een paar maanden later stapte ik, samen met vriendin D., in het vliegtuig richting Johannesburg. (En hoe die reis was en wat ik daar allemaal heb gezien, lees je hier.)

Over de seizoenen valt te twisten, maar een ding staat als een paal boven water: Molloten zijn die-hard. Ze gaan naar de fandag (tegenwoordig heet dat de Mol Experience), ze letten tijdens de afleveringen op shirtjes, graffiti op de muren, positie van Mollogo’s op vreemde plekken, et cetera. Zeker nu wordt elke beweging van iedere kandidaat gescreenshot en kapot geanalyseerd en ik ben er gek op. De laatste aflevering heette Het laatste woord, letterlijk en dat bracht nogal wat teweeg. Ging het over Rémy die aan het eind van de aflevering het woord ‘molletje’ zei? Of was het cryptischer en ging het om Klaas van Kruistum, wiens voornaam je kunt maken van de laatste woorden van de oud-mollen die in het klooster rondspookte? Ik zet persoonlijk mijn geld meer in op het laatste, alhoewel ik graag verrast wil worden door het programma, dus waarom niet bijvoorbeeld Taeke Taekema? (Omdat er tot nu toe nog geen echte hints naar hem leiden en niet per se heel erg opvalt qua Mol, tot nu toe is hij nog gewoon een fanatieke kandidaat.)

Het programma manifesteert zich zodanig tot de kleine hoekjes van mijn brein dat ik vannacht droomde dat ik een brief ontving met de uitnodiging om mee te komen doen aan Wie is de Mol. Dit stukje mag trouwens gerust als open sollicitatie worden opgevat: ik wil niets liever. Ik begrijp, lieve Mol-makers, dat ik dan ietsje bekender moet worden en ik beloof jullie dat ik mijn absolute best doen. Zoals Patrick Stoof (seizoen 11, El Salvador/Nicaragua) eens zei: ‘De enige reden dat ik ooit bekend wilde worden, was zodat ik mee kon doen met Wie is de Mol’. Dat ik waarschijnlijk door mijn fanatisme en chaos in de eerste aflevering eruit zal vliegen, betekent wel mooi dat ik iets van mijn bucket list kan strepen.

Mini’s en eenzaamheid

Geplaatst op 21 december, 2015

De periode rondom de feestdagen, laten we het maar op de hele maand december houden, is voor heel veel winkels erg druk. Ik weet er alles van, want dit jaar werk ik voor het achtste jaar bij de lokale supermarkt. Ik moet wel toegeven dat het pas mijn zevende jaar kerstmis bij de groenteafdeling is, want ik was er een jaartje uit om mijn geluk in Amsterdam te beproeven, maar dit jaar ben ik weer van de partij. En wat voor een partij.

Teamleider X. stuurde mij WhatsAppjes met het dringende verzoek om op zaterdag toch maar een uurtje eerder te komen. Dat zou betekenen dat mijn wekker om vier uur ‘s ochtends af zou gaan. Ondanks dat ik het liefst een voice-memo haar kant op had gestuurd met een keiharde ‘NEEEEEEHEEEEEHEE NEE NEE NEENNNN!’, besloot ik het toch maar te doen. We hadden immers eindeloos veel karren en maar beperkt de tijd. Daarbij is het maar een keer per jaar december. Dus daar stond ik, vijf uur sharp, met wallen, ochtendadem en in mijn handen een kartonnen bekertje koffie met daarin twee suiker en een melk.

Ik maakte loze beloftes over heus wel op tijd te stoppen, want hé, wie vroeg begint, mag ook weer vroeg naar huis, maar het mocht niet baten. Het was bijna twaalf uur en ik had mijn eerste pauze nog niet eens genomen. Ik was bezig met de gourmetmini’s en verbaasde me over het enorme assortiment aan gort gesneden stukjes vlees. Tijdens de feestdagen neemt niemand meer de moeite om ook maar iets te snijden. Ik rommelde door de diepe kratten: niemand had bij het distributiecentrum zin gehad om iets op volgorde te leggen. Ik stapelde tandoori worstjes, vegetarische kerstboompjes, visfiguurtjes, gemarineerde kipblokjes, garnalenspiesjes, biefstukbrokjes en schnitzelstukjes. Een mevrouw trok aan mijn jas. Waar ze soepgroente kon vinden.

Ik wees haar de verschillende opties aan (we hebben er tegenwoordig zes). Ze zei dat ze haar leesbril in de auto was vergeten. Daarna vertelde ze me dat ze dit jaar weduwe was geworden en ze was dit jaar geopereerd geweest. Ze durfde niet meer zoveel. Normaal gesproken ging ze weleens de grens over, want ‘ik ben Deutsche‘, omdat sommige dingen nu eenmaal beter smaakte in Duitsland dan in Nederland. Ze bleef vertellen. Ze bleef opnoemen hoe haar leven eruit zag. Ze zei dat ik waarschijnlijk moe was (dat kon ik beamen) en ze me niet te lang van mijn werk wilde houden. Ze zei dat ze eenzaam was. Niet als klaaggezang, ze noemde het als een feit. Ze bedankte mij vriendelijk voor haar hulp. Met een glimlach zei ze dat ze wenste dat ik haar kleinzoon was, zodat we naar Duitsland konden rijden voor de rest van de boodschappen.

Vervolgens had ik pauze. Ik dronk koffie en werkte een chocoladebroodje naar beneden. Uit de speakers in de kantine knalde het zoveelste kerstnummer en ik kreeg door alle onmacht dat ik deze eenzame vrouw niet kon helpen, écht helpen, zin om de kerstboom in de kantine om te smijten. Na mijn pauze kreeg ik beneden van een cassière te horen dat ik de groetjes had gekregen. En dat de luxe vegetarische notenbroodschotel op was. O ja, en of ik de bestelling voor de gemarineerde kiprollades uit de koelcel kon halen.

Zelfs de man van Oprah kan me niet redden

Geplaatst op 7 december, 2015

Vorige week ging ik naar de ‘Make It Happen Day’ op de hogeschool. In een spontane bui had ik me ingeschreven voor deze dag en dat was vanwege twee redenen. Allereerst omdat de dag alle kenmerken zou gaan hebben van een Amerikaanse pep rally, een dag om de schoolspirit er eens flink in te rammen met cheerleaders en laten we eerlijk zijn: ik kan wel een yell of twee gebruiken. En ten tweede: de man van Oprah, Stedman Graham zou komen spreken. Nu weet ik niet hoe het met jullie zit, maar stiekem denk ik dat hoe minder stappen je van Oprah verwijderd bent, hoe beter je leven is.

In de rij voor het auditorium waar Stedman (ik mag Stedman zeggen. Of Stedje. Ome Sted. Zijn broer had trouwens een hit in de jaren negentig. Scatman. Sorry.) zou gaan voordragen, werd ik overvallen door ongemakkelijkheid. Ik moest plassen, maar ik stond al klem in de mensenmassa. Daarnaast herkende ik geen enkele andere student om het standaard ‘hee, jij al afgestudeerd? Nee, ik ook niet’-gesprekje mee te voeren. Eenmaal binnen liep ik langs rijen onbekenden. Tijdens de opening bleek waarom: deze ‘Make It Happen Day’ was meer bedoeld voor eerstejaarsstudenten die net hun eerste honderd dagen studeren erop hadden zitten.

Na de introductie door een alleraardigste zangeres die een Vodafone-spotje had verkregen (you go, girl!) kwam Stedman. Of toch niet? Ze waren met z’n drieën, het was #teamStedman in plaats van puur 100% #Stedman. De lezing begon met een Nederlandssprekende Italiaanse Amerikaan. Hij kwam af en toe richting publiek, waardoor ik mezelf steeds meer in mijn stoel drukte, want publieksparticipatie, brr. Toen mochten de studenten vragen stellen aan Stedman. Een voor een werden ze naar beneden geroepen door de N.I.A. en dan deden ze een guitig een-tweetje die ze van te voren hadden uitgedacht. Een jongen ging bijvoorbeeld een wedstrijdje tegen hem opdrukken. Het was een dolle boel, maar telkens na een antwoord van Stedman zei de N.I.A.: ‘Heeft dat jouw vraak beantwoord?’ en toen dacht ik ‘nee, want een onsamenhangend gewauwel’ en dan zei ze de student: ‘Ja, onwijs, tenkjoe so mats.’. Ikzelf werd niet naar beneden geroepen, maar een zevendejaarsstudent mocht wel en hij stelde min of meer mijn vraag:

‘Ik studeer en tegelijkertijd doe ik iets creatiefs waar ik geld mee verdien. Afstuderen lukt niet. Help?’ 

Stedman begon over je ‘purpose’ en hoe je alle invalshoeken van je persoonlijkheid aan je boompje ‘purpose’ moest hangen en dan positive en love en if you’re reading, then you’re winning. En ik kon alleen maar denken dat zelfs de man van Oprah me blijkbaar niet kon redden. De zevendejaars ging zelfs een beetje tegen Stedman in, omdat hij zijn boeken had gelezen en nog zat hij vast. Stedman werd hierdoor bijna pissig en toen kapte de N.I.A. het af. En gaf de zevendejaars het boek van de N.I.A., iets getiteld over een wake-up call, want dát kon de zevendejaars wel gebruiken, volgens de N.I.A.

Dat boeken-ding vond ik trouwens ook goor (en dit uit de mond van een auteur, my my…): je had dus de N.I.A., Stedman zelf en nog een man. Dit drietal had een flink stel boeken bij elkaar gepend en meegenomen. Elke student die een vraag stelde, kreeg er eentje mee. Tenzij je een tientje had, dan mocht je ze alle drie en weet je wat er met dat tientje gebeurde? Ging naar charity. Want N.I.A. vond charity superbelangraaik. Even if you work by the Albort Haain.

Beduusd verliet ik het auditorium en ging ik op zoek naar de zevendejaars om met hem te praten. Helaas kon ik hem niet meer vinden. Toen ging ik maar naar de wc. Daar vond ik ook niet de antwoorden, maar het luchtte wel op.

Sportschool

Geplaatst op 1 november, 2015

Vriendin D. en ik waren er al heel snel achter gekomen: sporten is kut. Toch weerhield het me er niet van om in januari van dit jaar toch weer te beginnen bij de lokale sportschool. En ik ontdekte: sporten is kut, maar de sportschool is hilarisch.

Omdat het een lokale fitnesszaal is, trekt zo goed als elke bewoner van het dorp eens per week er naartoe om zichzelf in het zweet te werken of gewoon om wat bij te kletsen. Het element dorpsbewoner is eigenlijk al grappig: de oude vrouw voor wie je ooit zakken roerbakmix moest pakken, staat nu naast je in een uitgelubberd wit t-shirt op de loopband. Ze loopt 3.5 kilometer per uur en trekt daar nog een volle kilometer af wanneer haar buurvrouwtje ineens voor haar neus staat.
Maar het element is breder dan dat, beter ook, want ook je oud-basisschoolgenootjes die niet met je willen praten omdat je zo slecht was in voetbal, zijn er ook! Ze werpen je af en toe een norse blik toe. En wat dacht je van die jongen die ooit je MSN had gehackt? Ook zijn inhammen glinsteren in het zweet.

De geluiden zijn al even romantisch. Er gaat niets boven de oerkreten van mannen wiens prikkende tepels constant zich een weg proberen te banen door een veel te strak shirt. Jonge mannen met gewichten klinken meer als geconstipeerde baby’s met als enige wens eindelijk eens een volle luier. De cd die aan staat, is Body Rock 2011 of mijn persoonlijke favoriet: het album van Pitbull. Ik blokkeer het allemaal vakkundig met een paar Skullcandy oordopjes en een mix waar oude en hoogstwaarschijnlijk nieuwe Body Rock cd’s nog een puntje aan kunnen zuigen.

Vooruit, dan toch nog maar even de positieve kanten, want naast de fitnessmaniakken en oude vrouwtjes heb ik het rustig. Vaak zijn de apparaten die ik wil gebruiken leeg. Ik doe netjes mijn kwartier op de loopband en stap daarna nog bijna twintig minuten op de crosstrainer. Het zweet gutst, Aqua (die van ‘Barbie Girl’, ja) pompt keihard in mijn oor en ik zie de calorieënteller steeds meer oplopen. We zijn tien maanden verder en mijn vormeloze lijf heeft hier en daar definitie gekregen. In je spierballen prikken is zoveel leuker dan je vetrollen kneden.

Niet alleen een gezond lijf (ho ho, even een kleine toevoeging op dit begrip: ik eet nog steeds gewoon wel chips, hè. En ik drink koffie en af en toe alcohol) heb ik te danken aan de sportschool, maar sindsdien ben ik een ster in eieren bakken. Aan hogeschoolvriend F. die, toen we samen studeerden een wasbord had om jaloers op te worden, vroeg ik wat tips voor post-workout-food en wat bleek? Eieren. En bananen. En ik hou van deze twee producten! Wat een winst! Ik kom terug van de zweetfabriek, zet een pan op het vuur, gooi een podcast aan, bak een ei, eet het ei, eet een banaan, eventueel nog een podcast: wat een invulling! Handjevol walnoten? Ja! Gooi er maar in.

Tot slot ben ik de eerste in Nederland die een extra oefening doet tijdens het hardlopen op de loopband. Het is volkomen nieuw, dus graag mij vermelden als bron, mocht je ook deze techniek gaan gebruiken. Je verbrandt er extra calorieën mee en het is supergoed voor je core muscle area. Ik wist zelf niet eens dat ik het deed tot ik mensen zag kijken, maar het heet dus de Beyoncé. En je doet het door keihard bijvoorbeeld ‘Crazy in Love’ op te zetten en dan iets te overdreven mee te playbacken.
And you’ll have a rocking body in no-time!  

Werklui

Geplaatst op 19 oktober, 2015

‘Je moet eens over ons schrijven,’ zegt Daley met een sigaret tussen zijn lippen geklemd.
‘Ja man,’ voegt Emiel toe.
‘Dan noem je mij Daley,’ zegt Daley.
‘En mij Emiel,’ zegt Emiel.
‘Ja,’ zegt Dlaley.
‘En waar moet ik het over hebben dan?’ vraag ik.
‘Gewoon, over ons, weet je. Dat is lauw,’ antwoordt Emiel.
‘Ik zal er over nadenken,’ zeg ik. De zon komt op, het licht prikt in onze ogen. We hebben de grootste heuvel van de dag overwonnen: de eerste drie uur in de ochtend, van zes tot negen. Ik pulk harde stukjes uit mijn ooghoek. Getver. Welkom op de zaterdag.

Ik weet niet zo goed hoe ik ze het best kan portretteren, mijn ploeg van de zaterdag. Ik geef leiding, maar eigenlijk is er geen sprake van de boel sterk aansturen, omdat iedereen weet wat zijn taak is. We komen binnen, we zetten koffie en drinken en werken. De meesten zijn na tien uur weer vertrokken.
We zijn een divers clubje van zes. Buiten het werk speelt de één FIFA, de ander heeft een motorrijbewijs. Ik schrijf verhaaltjes. Soms lezen de anderen mijn verhaaltjes. Dat is leuk, maar nu ik weet dat ze dit zullen lezen, wordt de druk alleen maar hoger. We hebben sinds kort er een meisje bij. Ik weet niet of zij ook mijn werk leest, maar ik vertel haar wel gênante verhalen over mijn middelbare schooltijd en waarom ik trefbal het allerergste op aarde vind.
Ik ben het oudst. Ik ben een mopperende bok. De kapitein van de kropsla en de baas van de bloemkolen. Ik werk hier sinds 2007. Misschien is dat te lang, maar zo lang het salaris leuk is en ik een zeventienjarig meisje kan vertellen waarom ik ooit in elkaar geslagen ben in een jongenskleedkamer na gym, gaat het best.

Dit werk kent een gevaarlijke gewenning. Je begint eens met een zaterdag en je voegt er een dagje aan toe. Voor je het weet, ben je opgeslokt door de Albert Heijn madness. Ik werkte afgelopen week en werk deze aankomende week vier van de zeven dagen. Voor mijn doen is dat veel. En je proberen te verzetten heeft weinig zin, want dat helpt toch niet. Je zit vastgeplakt aan een rooster en aan collega’s. Dus kun je er maar beter het beste van maken. En jezelf wijsmaken dat dit het leven is, omdat het tijdelijk dat ook is.

Wat zou hun verzoek nu eigenlijk echt inhouden, trouwens? Iets over Emiel en James schrijven. Willen ze op een voetstuk? Voor het harde werk dat ze leveren, ja, voor het feit dat de één altijd netjes veegt en vervolgens met de boenmachine alle tegels schoon boent. Of willen ze horen wat ik écht vind? Of ik weleens oprecht boos op ze ben? Hoe ik ze zie?
Ik denk niet dat we ooit die diepte zullen opzoeken, in elk geval niet hier, niet online, en al helemaal niet zonder drank. Of dat erg is, weet ik ook niet. En wat het qua teamuitje moet worden al helemaal niet. Maar het leukst zou op een zaterdag zijn. Zodat ik kan uitslapen en niemand af zal blaffen. Dat is pas echt lauw.

(Vergat ik per abuis bambino James. Die heeft een tijd in mijn team gezeten en is een van de bikkels die ‘s ochtends om vijf, in plaats van zes, uur begon. Zijn stiefvader is de biologische vader van iemand met wie ik op de basisschool gezeten heb, want zo werkt het af en toe nu eenmaal in een dorp. Maar James wees me erop dat ik de schuilnamen verkeerd had opgeschreven en hij had nog gelijk ook. Het zijn trouwens allemaal verwijzingen naar het ‘binden’: een of twee touwtjes binden om karren met lege kratten, zodat ze bijvoorbeeld bij vervoer in een vrachtwagen niet tijdens de rit omdonderen.)

Rant: Sociala Constrictor

Geplaatst op 1 oktober, 2015

Ik heb een probleem met een sociaal concept en het gaat kinderachtig klinken. Het gaat om de meest minimale vorm van een gesprek: ‘hoi’ zeggen tegen elkaar.

Sociale netwerken bestaan uit kringen. Rondom jouw persoon staan je beste vrienden, de mensen die bovenaan je WhatsApp-, Messenger- en Snapchatlijstje prijken en de mensen op wiens bank je het meest hangt. Daarna de mensen die je wat minder vaak treft, maar nog steeds graag ziet of spreekt, enzovoorts. De buitenste lagen zijn vage kennissen of familieleden die je eens per jaar ziet.

Er zijn, wat betreft ‘hoi’ zeggen, een paar regels. Als je elkaar vanaf een paar meter ziet aankomen en je maakt oogcontact, moet je het zeggen. Op een feestje zul je na drie keer tegen elkaar opbotsen er ook aan moeten geloven. Je bevestigt met de ‘hoi’ elkaars aanwezigheid, of je nu wil of niet. En je zegt het altijd terug. Dat moet.

Een sociaal afgesproken norm is an sich geen probleem. We wensen elkaar bijvoorbeeld goede dingen toe (gezondheid, plezier, een smakelijke maaltijd). Het bevordert een goed gevoel. Maar wat betreft die normen voelt het vaak eenvoudiger en prettiger dan een ongewenste ‘hoi’.

Een ‘hoi’ bevestigt niet alleen bestaan van de ander, maar impliceert ook dat je daar blij mee bent. Stel: iemand zegt ‘hoi’, die heeft jou dan gezien en bevestigt daarmee ‘jij bent er, ik vind het leuk dat je er bent’. Maar dan komt dus de wurgslang van gegroet worden: gij zult teruggroeten. Al kun je de persoon niet uitstaan. Dus je doet het. De ander voelt zich goed, want jij hebt nu ook bevestigd dat de ander bestaat en dat je dat leuk vindt. Terwijl je er niets van meent.

Het gebeurt maar een enkele keer, maar het zal altijd door blijven gaan. Er is niemand die de ander uitnodigt voor een babbeltje om te zeggen dat je niets meer met de persoon te maken wil hebben. Hoi zeggen is als kerstkaarten, maar dan directer. Tot in de lengte van dagen zullen we elkaar voorschotelen dat we waarderen dat de ander bestaat. Merci dat jij er bent, maar eigenlijk heb ik niks meer met je. Nooit gehad ook.